Jachttraining

A

Als de hond nu een aantal, minimaal 2 B diploma’s heeft behaald mag de voorjager gaan denken over het trainen van de hond op A niveau.

Met het behalen van een aantal B Diploma’s heeft de hond en zijn voorjager laten zien dat ze de derde fase het beheersen, generaliseren en handhaven van de opdrachten prima onder controle hebben.

Introductie jachttraining A

Het A  Niveau is maar voor weinig honden weggelegd. Op elk SJP (Standaard Jachthonden Proeven) proberen gemiddeld 30 honden dit A diploma te behalen. Gemiddeld 6 honden 

behalen het A diploma daadwerkelijk.

Wat heeft een voorjager nu nodig om de hond op A Niveau te trainen?

Geduld en inzicht in training.

Niveau A bestaat uit de volgende onderdelen:

A

Aangelijnd en los volgen

Aangelijnd en los volgen in Z vorm over 3 x 10 meter met een schot als verleiding.

De hond mag op het schot gaan zitten voor een volmaakte uitvoering.

B

Uitsturen en komen op bevel
  1. Na proef A wordt de hond aangelijnd en de voorjager mag op aanwijzing van de keurmeester naar inzetplaats B lopen.

  2. Bij inzetplaats B wordt de hond uitgestuurd maar moet na 30 meter op aanwijzing van de keurmeester terugkeren.

    *Proef A en B worden altijd in combinatie uitgevoerd
     

C

Houden van de aangewezen plaats
  1. De hond wordt door de voorjager, op een door de keurmeester aangewezen plaats neergelegd.

  2. De voorjager verdwijnt uit het zicht van de hond. Deze blijft ongeveer 1 minuut uit het zicht van de hond staan.

  3. Tijdens het houden van de plaats wordt zichtbaar voor de hond een dummy opgeworpen op circa 25 meter. De werper maakt geluid ter attentie.

    *De hond wordt later opgehaald en aangelijnd.
     

D

Kort apport ter land
  1. Nadat proef C is beëindigd mag de hond meelopen naar een positie die ongeveer vijf meter vanaf de plek is waar de hond lag, zat of stond. 

  2. Dan mag de hond de eerder geworpen dummy apporteren

    *Proef C en D worden altijd in combinatie uitgevoerd
     

E

Apport uit diep water
  1. Inzetplaats voor voorjager en hond is 10 meter vanaf geweer en werper.

  2. Op het schot mag de hond de foam eend apporteren.

F

Verloren apport ter land
  1. De inzetplaats bevindt zich voor dichte dekking, een bos.

  2. De hond wordt uitgestuurd om een konijn op te sporen

    * Als de hond het konijn heeft gevond mag de hond deze apporteren
     

G

Een markeer apport
  1. Hond en voorjager staan op een door de keurmeester aangewezen plek. Meestal is dit een weiland. 

  2. Op ongeveer 60 meter staat een geweer en een werper. Op aanwijzing van de keurmeester wordt er met schot een kraai of een roek van de wind af geworpen.

  3. Op aanwijzing van de keurmeester mag de hond de kraai apporteren.
     

H

Verloren apport over diep water
  1. Hond en voorjager staan op een door de keurmeester aangewezen plaats voor het water.

  2. De hond wordt uitgestuurd om uit de dekking, over water een eend te zoeken.

    *Als de hond de eend heeft gevonden mag de hond de eend apporteren.
     

I

Dirigeren

​Op aanwijzing van de voorjager moet de hond de duif apporteren.
 

  1. In een V vorm liggen twee duiven in het veld, onzichtbaar voor de hond. 
    Een duif op 100 meter en een duif op 130 meter. 

  2. De duiven liggen 50 meter uit elkaar. 

  3. Beide duiven mogen in lijn worden geapporteerd.
     

J

Het apporteren van een verre loper

De hond wordt naar een door de keurmeester aangewezen plaats gestuurd om een sleepspoor van een gans op te pakken en met behulp van dit sleepspoor de gans te apporteren.

BEREIK DE

TOP

©2020 TARO jachthondenschool